routineklus

mannelijk (de)/ruˈtinəˌklʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. karwei dat geregeld op een vrij voorspelbare manier kan worden uitgevoerd en dus geen bijzondere inspanning vraagt
    Na alle mediaverplichtingen moet hij naar de dopingcontrole. De leider in de wedstrijd wordt elke dag gecheckt. Voor de Brit niet meer dan een routineklus. Hij is een van de meest gecontroleerde sporters ter wereld.
    Er wordt vooral bezuinigd op wat in de literatuur ‘routineklussen’ worden genoemd, zoals koken en afwassen. Daar besteedden we in 2006 nog vijfenhalf uur aan, in 2011 is dat teruggelopen tot ruim vierenhalf uur.
    Mijn werk is gevarieerd, uitdagend. Ik weet ’s ochtends nooit wat de dag zal brengen. Behalve de routineklusjes natuurlijk, zoals post openen en brieven uittikken.