rotshol

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overdekte ruimte in een berg
    De Zaligmaker, „welke is Christus, de Heere”, laat Zich alles welgevallen. Hij wordt gebaard, wordt in windselen gekleed, wordt neergelegd in een stal voor de dieren, in een rotshol voor het vee misschien, of een schaapskooi, zoals ook wel wordt verondersteld.