rotor

mannelijk (de)/ˈrotɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elektrotechniek, motortechniek (elektrotechniek) (motortechniek) draaiend anker in een elektromotor of dynamo
  2. werktuigbouwkunde (werktuigbouwkunde) horizontale schroef van een helikopter
  3. scheepvaart (scheepvaart) aandrijfmechanisme voor schepen, bestaande uit een verticale, draaiende cilinder die door de werking van de winddruk stuwkracht oplevert
  4. schoepenwiel van een turbine

Etymologie

** in betekenis "schoepenwiel" aangetroffen vanaf 1906

Vertalingen

Spaansrotor