roti
mannelijk (de)/ˈrɔti/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) Surinaams (Hindoestaans) gerecht van ongerezen brood met kousenband, aardappelen, hardgekookte eieren, groenten en vlees en vooral gekruid met o.a. masala
- (Suriname) bepaald soort vogel met een oranjebruine borst,
Etymologie
* Leenwoord uit het Hindi, in de betekenis van ‘brood’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Vertalingen
Spaanschapatti, roti
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek