rotgans

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈrɔtxɑns/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. eendvogels (eendvogels) kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep,

Etymologie

*leenvertaling van "hróðgás", , in de betekenis van ‘eendachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1504

Vertalingen

Engelsbrent
Fransbernache
DuitsRingelgans
Spaansganso negro, barnacla
Zweedsprutgås
Deensknortegås