rook

mannelijk (de)/rok/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat bij verbranding opstijgt
    De rook vloog door de wind recht mijn kant op.
    Vorige week trok er een dikke laag van zwarte rook over steden in Brazilië. In één stad was het zelfs een uur helemaal donker door de rook.
zelfstandig naamwoord
  1. hooiopper, hoop hooi, gemaaide klaver of vlas
  2. (Hollands) grotere hooistapel waartoe een aantal oppers bijeengevoegd wordt

Etymologie

*[B]: van Middelnederlands "rooc"Ontwikkeld uit Oergermaans *hrauka-, misschien ontleend aan het Keltisch; vgl. Oudiers crúach ‘hoop, opper, heuvel’. Evenals Oudengels hrēac ‘stapel, hoop’ en Oudnoords hraukr ‘kegelvormige stapel’. Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 243.

Uitdrukkingen

  • Geen rook zonder vuurbij iedere gebeurtenis hoort een oorzaak. Van de meeste geruchten is er altijd wel iets waar
  • Witte rookteken dat er een overeenkomst is bereikt
  • in rook opgaanverdwijnen

Vertalingen

Engelssmoke
Fransfumée
DuitsRauch
Spaanshumo
Italiaansfumo
Portugeesfumo, fumaça
Russischдым
Chinees煙, 烟
Japans
Koreaans연기
Arabischدخان
Poolsdym
Zweedsrök
Deensrøg