rong

mannelijk/vrouwelijk (de)/rɔŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) een van rechtop staande staven die op een platte wagen dienen om de lading tegen te houden
    Hij haalde een lantaarn uit de achterkeuken, goot hem boordevol raapolie en bond hem vast aan een rong aan de linkerkant van de wagen.

Etymologie

*van Middelnederlands "ronge", cognaat met "runge", "runge", "Runge"; "hrung", "rung"; "𐌷𐍂𐌿𐌲𐌲𐌰" (hrugga) "staf"