romusha

mannelijk (de)/roˈmuʃa/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis (geschiedenis) door de Japanse bezetter in Nederlands-Indië met meer of minder dwang geronselde inheemse arbeider

Etymologie

*van "労務者" (romusha) "werkman, arbeider": "労" (ro) "arbeid, werk", "務" (mu) "taak, plicht" en "者" (sha) "-er, achtervoegsel om iemand aan te duiden die doet van in het voorgaande naamwoord besloten ligt"