rommelen

/ˈrɔmələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. aanklooien, zonder plan of doel maar wat bezig zijn
    Hij rommelde wat in de schuur in afwachting van het belangrijke telefoontje.
    Hij had jaarlijks niet meer dan 800 euro aan vaste lasten en rommelde wat aan in de bouw.
  2. laag geluid maken
    De donder rommelde wat in de verte.
  3. stiekem vrijen, elkaar liefkozen
    We rommelden niet zoveel in de bioscoop, dat bewaarden we voor het Vasaparken op de terugweg.
  4. niet helemaal eerlijk handelen
    De gemeente rommelt met de belastingen.
  5. onpr, meteorologie (onpr) (meteorologie) hoorbaar donderen op enige afstand
    Het begon eerst te rommelen en even later vielen de eerste druppels al.
  6. onpr, figuurlijk (onpr) (figuurlijk) heersen van ruzies of spanningen
    Het rommelt in het kabinet.

Etymologie

*van Middelnederlands """, (klanknabootsing), verwant aan rammelen en rumoer, in de betekenis van ‘een dof geluid maken’ aangetroffen vanaf 1351