roeier
mannelijk (de)/ˈrujər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart), (sport) iemand die roeitOm vooruit te zien moet een roeier achterom kijken.
- (scheepvaart), (beroep) een havenwerker die de meertrossen van schepen aan de meerpalen vastmaaktVroeger had de roeier slechts een roeiboot te beschikking.
Etymologie
* van roeien
Vertalingen
Engelsrower
Fransrameur, amareur
DuitsRuderer, Schiffsbevestiger
Spaansremero
Zweedsroddare
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek