Roef

mannelijk/vrouwelijk (de)/ruf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overdekt deel van een binnenvaartschip waar de schipper en zijn gezin kunnen wonen
    Jan en Coby voelen zich niet van Zuid en niet van Noord, en ook niet van de wallers. „Die hebben toch nooit veel van het vrije schippersleven gesnapt”, zegt Jan, „Ik heb mensen aan de kade gehad die dachten dat wij ons op onze knieën door de roef moesten verplaatsen.” NRC Wim de Jong 23 december 2016
    De band is niet lek, het ventiel wel. Ik zoek in de roef naar een ander ventiel. Binnenkort komt er een extra raam in deze ruimte, zodat we door dat raam naar de kont van het schip kunnen klimmen. In één keer naar de mooiste plek van Amsterdam met uitzicht op het Amsterdam-Rijnkanaal. Ik heb zin om dat gat nu al te maken. Uitbreken. Weg uit deze donkere tobbe. NRC Jowi Schmitz 4 april 2013
tussenwerpsel
  1. geeft aan dat iets in een snelle beweging wordt gedaan of opeens gebeurt
    ‘Willen jullie wel eens gauw maken dat je weg komt, apen van jongens, of moet de waterslang erbij te pas komen, dan gaan jullie wel,’ klonk Kruts stem. Roef, weg waren de jongens, doch op het hoekje bleven ze staan.

Etymologie

*: (klanknabootsing) van de ruisend lucht, veroorzaakt door een snelle beweging

Vertalingen

Engelsdeck-house