roddelen
/ˈrɔdələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- op een vervelende manier over anderen pratenIk kon niet meer interrumperen, niet vloeken, niet roddelen of oordelen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘kwaadspreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1865-1870
Vertalingen
Engelsgossip
Franscancaner, jaser
Duitsdurchhecheln, klatschen, tratschen
Spaanschismear, cotillear, chismorrear
Deenssladre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek