rissen
/ˈrɪsə(n)/
Betekenis
werkwoord
- tot een bundel, 'ris', samenvoegen
- bessen of druiven in één beweging van een takje, 'ris', halen
- een bundel vlas, 'ris', over een scherpe rand heen en weer trekken om houtige deeltjes tussen de vezels vandaan te halen
Etymologie
*[zelfstandig naamwoord] ris met uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek