risico

/ˈriziˌko/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een kans op gevaar of schade
    Het risico dat er wordt ingebroken is gelukkig niet zo groot.
    ‘De maatregelen zoals nu door de overheid genomen, zijn terecht, volgens mij. Ik zelf loop niet veel risico, gezien mijn leeftijd, maar ik kan het wel verspreiden. Mijn ouders zijn ook nog relatief jong en gezond, ik denk niet dat zij extra risico lopen.
    Toch nam ik het risico om door te lopen, in 10 kilometer teruglopen (backtracking zoals ze in de VS zeggen) had ik echt geen zin.
  2. economie (economie) de kans op een onvoorziene gebeurtenis waardoor de waarde van financiële goederen wordt onderuitgehaald
    Hoe groot is het financiële risico van een enkele transactie?[https://www.optie24.nl/faq/hoe-groot-is-het-financiele-risico-van-een-enkele-transactie/ optie24.nl]

Etymologie

* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘gevaar voor schade’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1525

Vertalingen

Engelsrisk, hazard
Fransrisque
DuitsRisiko
Spaansriesgo