ris

mannelijk/vrouwelijk (de)/rɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bundel vlas
  2. plantkunde (plantkunde) takje met druiven of bessen die er gemakkelijk in één beweging afgehaald kunnen worden
  3. hoeveelheid gelijke voorwerpen die met touw of stok aan elkaar vastzitten
    Een ris takken.
  4. figuurlijk (figuurlijk) reeks gelijke zaken of personen
tussenwerpsel
  1. weergave van een zacht zagend of scheurend geluid
    Bij mijn elleboog voel ik de wrijving van de stenen tegen mijn jack, ris-ris-ris.

Etymologie

*[tussenwerpsel] (klanknabootsing)