ripper

mannelijk (de)/ˈrɪpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. misdaad (misdaad) misdadiger die andere misdadigers berooft
    In Overschie werd een zogeheten ‘ripper’ doodgeschoten die eerder betrokken was bij de twee schotenwisselingen in de Essenburgstraat en op de Mathenesserbrug. In het eerste geval staat vast dat het ging om een geripte partij heroïne, in het tweede geval vermoedt justitie dat.
    Vandaar dat de politie haar busje prominent voor het huis zet. Ze wil voorkomen dat de kweker denkt dat een ripper zijn planten steelt. Voor je het weet loopt zo iemand binnen met een vuurwapen.
  2. informatica (informatica) programmatuur om gegevens op een medium daar daarvoor niet bedoeld was te kopiëren naar een computerMeestal gaat het om audio- of videobestanden waarvan de auteursrechthebbende verspreiding wilde beperken.
    Het rippen is niets anders dan de muziek van je CD halen. Op een cd staat muziek in vorm van data, deze data kun je met een ripper eenvoudig er vanaf halen. De geripte data plaats je op een harde schijf.
  3. werktuigbouwkunde (werktuigbouwkunde) bouwwerktuig met diepgaande tand(en) of klauw(en), vastgemaakt aan een bulldozer of tractor, om een harde bodem open te breken
    Voordat er kabels worden gelegd, gaat er eerst een ripper aan de Mecalac. Daarmee woel je vooraf door de grond en zorg je dat de kabellegger sneller zijn werk kan doen.

Etymologie

*van "ripper", op te vatten als afleiding van rippen