rijwiel

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. formeel, verkeer (formeel) (verkeer) fiets
    al behoort hij dan ook niet tot de officiëele of "Koningsgeleerden" (zou van Vloten zeggen), geoorloofd is, op dit gebied zijne stem te doen hooren, zijn gevoelen kenbaar te maken, dan zou hij, door de wet der analogie geleid, het voorwerp waar ditmaal sprake van is, den velocipède namentlijk , het liefst met den naam van rijwiel bestempelen, een woord dat al aanstonds aanleiding geeft tot het vormen van 't werkwoord wielrijden en het naamwoord wielrijder. Ja, ik voor mij vind het woord rijwiel het geschiktste en gemakkelijkste woord. Ook het meest Hollandsche woord. Zoo zegt men immers ook rijtuig, rijpaard en wat dies meer zij, terwijl de door ons gevormde woorden, wielrijden en wielrijder, in overeenstemming zijn met de zamengestelde woorden paardrijden en paardrijder, schaatsenrijden en schaatsenrijder, en dergelijke zamenstellingen meer.

Etymologie

* Voorgesteld door de letterkundige Alfred Buijs , ter vervanging van de Franse benaming vélocipède, in een ingezonden brief, zie vindplaats hieronder.

Vertalingen

Spaansbicicleta