rijst

mannelijk (de)/rɛist/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. graan, voeding (graan) (voeding) graan van het geslacht
  2. de meest verbouwde rijstsoort ()
  3. zaden van de rijstplant

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘graansoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1252

Vertalingen

Engelsrice
Fransriz
DuitsReis
Spaansarroz
Italiaansriso
Portugeesarroz
Russischрис
Chinees
Japansイネ
Poolsryż
Zweedsris, risgryn
Deensris