rif
onzijdig (het)/rɪf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) een ondiepte in water, koraalbank, klip
- (techniek), (scheepvaart) bij windmolens en zeilschepen: een strook van het zeiloppervlak dat tijdelijk kan worden opgevouwen of opgerold"De wind is te sterk, we zullen een rif ", of misschien wel twee, moeten steken."
- lichaam van een mens of dier, geraamte
Etymologie
* Leenwoord uit het Oudnoor(d)s, in de betekenis van ‘bank in zee’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1595
Vertalingen
Engelsreef, reef
Fransrécif, ris
DuitsRiff
Spaansarrecife
Italiaansscogliera
Portugeesrecife
Russischриф
Poolsrafa
Zweedsrev
Deensrev
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek