richting
vrouwelijk (de)/ˈrɪxtɪŋ/
Betekenis
voorzetsel
- de kant op van, in de richting vanHij ging richting het toilet.
zelfstandig naamwoord
- de kant die men op moet gaan om een bestemming te bereikenDe richting was niet duidelijk aangegeven.Doordat de sneeuw het pad bedekte, was het niet altijd duidelijk welke richting we op moesten.
- onderdeel of afdeling van iets grotersHij koos de betarichting op de middelbare school omdat hij geen taalgevoel bezat.
Etymologie
* van richten
Vertalingen
Engelsdirection
Fransdirection
DuitsRichtung
Spaansdirección
Poolskierunek
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek