richting

vrouwelijk (de)/ˈrɪxtɪŋ/

Betekenis

voorzetsel
  1. de kant op van, in de richting van
    Hij ging richting het toilet.
zelfstandig naamwoord
  1. de kant die men op moet gaan om een bestemming te bereiken
    De richting was niet duidelijk aangegeven.
    Doordat de sneeuw het pad bedekte, was het niet altijd duidelijk welke richting we op moesten.
  2. onderdeel of afdeling van iets groters
    Hij koos de betarichting op de middelbare school omdat hij geen taalgevoel bezat.

Etymologie

* van richten

Vertalingen

Engelsdirection
Fransdirection
DuitsRichtung
Spaansdirección
Poolskierunek