resusfactor

mannelijk (de)/ˈresʏsˌfɑktɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. biologie (biologie) antigene stof in het bloed, agglutinogeen in de rode bloedcellen
    Het is bekend dat toediening van bloed van een verkeerde bloedgroep en de verkeerde resusfactor vrijwel zeker de dood veroorzaakt.

Etymologie

*leenvertaling van "rhesus factor", op te vatten als kofferwoord gevormd uit resusaap en stollingsfactor, in de betekenis van ‘antigene factor in het bloed’ voor het eerst aangetroffen in 1966