rest
mannelijk/vrouwelijk (de)/rɛst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- wie of wat er overblijftPas na enige dagen werden de resten van het verongelukte vliegtuig teruggevonden.'De rest gaat nu gewoon naar huis en wacht daar tot wij hier het plan bekend maken. In die tussentijd houdt iedereen zich rustig. Wacht af wat wij besluiten.' {{Aut|Herzen, Frank
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overschot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1452
Vertalingen
Engelsrest, remaining
Spaansresto
Poolsreszta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek