rekstok

mannelijk (de)/ˈrɛkstɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een turntoestel, bestaande uit een aan verticale palen bevestigde legger van metaal of glasfiber, komt ook voor als speeltoestel in een speeltuin
    Aan de strakke salto van de Lekkerkerkse Eline den Ouden (26) kunnen we nog niet meteen zien welke sport ze beoefent. Bevindt zich buiten beeld een evenwichtsbalk of een rekstok? Een trampoline of een harde turnvloer? Een halfpipe of een zwembad waar ze zo met miniplons in zal verdwijnen? Een verdwaasde hockeyster die zich afvraagt met wat voor schijnbeweging haar directe tegenstander haar nu weer in de luren heeft gelegd? Nu ja, in dat laatste geval had ze misschien de stick nog in haar hand gehad. NRC Arjen Fortuin 25 november 2016

Etymologie

* In de betekenis van ‘stok voor gymnastische oefeningen’ voor het eerst aangetroffen in 1861