rekkelijken
meervoud/ˈrɛkələkə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geschiedenis) (religie) (Nederland) calvinisten in de 17e eeuw met een vrijere opvatting over hun geloof, volgelingen van de theoloogBredero was Amsterdammer in een stad die bruiste van de levenslust en handelsdrift. Maar de Antwerpse nieuwkomers gaven ook aanzet tot xenofobie, en in de strijd tussen rekkelijken en preciezen dreigde het calvinistisch corset.Locke is beïnvloed door de Nederlandse remonstranten ( de ‘rekkelijken’), die het geestelijk heil als een individuele zaak zien, in persoonlijke relatie tot God.
- (figuurlijk) mensen die een vrijere uitleg willen geven aan een bestaande opvattingLuiten: „Je zou van de parken plattelandslaboratoria kunnen maken.” Daar kan volgens hem „de landbouw van de toekomst” worden uitgevonden. (…) Adviseur Luiten behoort in de discussie over het versterken van de nationale parken tot de rekkelijken, zo veel is nu wel duidelijk.Daarmee laait het debat weer op tussen de rekkelijken en de preciezen in het al zeven jaar oude begrotingsdebat. Zijn we er nu bovenop omdat er is bezuinigd? Of hadden we er nog veel beter voor kunnen staan als we de teugels niet zo strak hadden aangehaald?
Etymologie
* afgeleid van "rekkelijk"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek