rek

/rɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde (m) (natuurkunde) vergroting van de lengte van een voorwerp door het uitoefenen van een trekkracht
    Er zit een aardige rek in.
  2. huishouden (n) (huishouden) een raamwerk bedoeld voor het bergen van vooral huishoudelijke voorwerpen
    Zet die kopjes even op het rekje.

Etymologie

* In de betekenis van ‘gestel van latten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287

Uitdrukkingen

  • De rek is eruitHet is niet langer goed te doen, men kan het niet meer aan

Vertalingen

Engelsstretch, rack
Spaansestantería