rek
/rɛk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) (natuurkunde) vergroting van de lengte van een voorwerp door het uitoefenen van een trekkrachtEr zit een aardige rek in.
- (n) (huishouden) een raamwerk bedoeld voor het bergen van vooral huishoudelijke voorwerpenZet die kopjes even op het rekje.
Etymologie
* In de betekenis van ‘gestel van latten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Uitdrukkingen
- De rek is eruit — Het is niet langer goed te doen, men kan het niet meer aan
Vertalingen
Engelsstretch, rack
Spaansestantería
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek