reizen
/ˈrɛizən/
Betekenis
werkwoord
- (erga) gericht onderweg zijn naar een bepaalde bestemmingWij reizen geregeld naar Canada.{{ouds
- (inerg) ongerichte activiteit van het onderweg zijnEr wordt in dit land veel met de trein gereisd.Het Duitse reizen staat in het teken van de haast en de productiviteit: zo snel mogelijk van Hamburg naar München in een hard geveerde BMW, met een korte stop voor een vette hap in de Raststätte.
Etymologie
*van Middelnederlands "resen"
Uitdrukkingen
- Op de boer gaan (lopen, reizen)
Vertalingen
Engelstravel
Fransvoyager
Duitsreisen
Spaansviajar
Italiaansviaggiare
Portugeesviajar
Russischпутешествовать
Chinees行走
Japans動する
Arabischيُسافِر
Deensrejse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek