reisgenote

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw waarmee men samen een reis maakt
    Daarna stond hij op, pakte zijn jas van de grond, sloeg hem om zijn schouders, stak een veldje over en liep naar zijn reisgenote.
    Warmbier stal een een vlag met propaganda. Het kostte uiteindelijk zijn leven. Voor zijn Deense reisgenote is het verhaal dat Noord-Korea vertelt, onbegrijpelijk.

Etymologie

* afleiding van reisgenoot