regulier
mannelijk (de)/ˌreɣyˈlir/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) ordesgeestelijke, kloosterling
- geregeld, regelmatig
- (religie) volgens een bepaalde kloosterregel levend, tot een specifiek religieuze orde behorendEen reguliere kanunnik.
Etymologie
* Van régulier. In de betekenis van ‘geregeld’ voor het eerst aangetroffen in 1669
Vertalingen
Fransrégulier
Spaansregular
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek