regime

onzijdig (het)/reˈʒim(ə)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. politiek (politiek) bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
    Het regime van Saddam Hoessein werd ten val gebracht.
    Hij is vooral bekend als criticus van het toenmalige communistische regime.
    Met Our Dear Friends in Moscow, schreven Soldatov en Borogan een persoonlijk en emotioneel boek over het einde van en tijdperk, zonder veel hoop op een nieuw begin. Waar zijzelf hun idealen trouw bleven, transformeerden hun vrienden tot volgzame roeptoeters van het regime.[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/08/19/twee-russische-journalisten-beschrijven-in-hun-laatste-boek-hoe-vrienden-veranderden-in-volgzame-roeptoeters-van-het-regime-a4903416 www.nrc.nl (19 aug 2025)]
  2. regels die voor iets of op een bepaalde plek gelden
    Gedetineerden voeren actie tegen het versoberde regime.
    Op 1 januari 1992 werd het regime voor kapitaalverzekeringen ingrijpend gewijzigd.

Etymologie

*van "régime", in de betekenis van ‘staatsbestel’ aangetroffen vanaf 1820

Vertalingen

Engelsregime
Fransrégime
DuitsRegime
Spaansrégimen