regenbroek

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. broek die tegen de regen beschermt
    Over mijn donsjas had ik mijn regenjas aangetrokken en ik lag met een regenbroek plus legging in mijn slaapzak te bibberen van de kou.
    Grote of kleine druppels, uiteindelijk word je natuurlijk van allebei nat en kan je het beste de komende tijd gewoon die regenbroek bij je hebben.

Vertalingen

Engelsprotective trousers