refo

mannelijk (de)/ˈrefo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lid van de orthodoxe zuil van de gereformeerde kerk
    Vooralsnog ontspringen orthodoxe christenen de dans. Ondanks de secularisatie vormen ze vitale kerkelijke gemeenten, zo blijkt uit het KRO-NCRV-rapport ”God in Nederland”. De RD-enquête over nieuwe refo’s toont eveneens een levendig beeld. Ze vormen echter wel de dinosaurussen van de moderne cultuur.
    De refo’s vinden dat de evangelische beweging een oppervlakkig geloof predikt: kies maar voor Jezus – dat is de refo te makkelijk.

Etymologie

*(verkorting) van , in de jaren 80 van de 20e eeuw vermoedelijk onder invloed van woorden die zijn gevormd, als (pejoratief) in (jongerentaal) ontstaan, maar later als een soort geuzennaam aanvaard