record

/rəˈkɔːr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) beste prestatie
  2. figuurlijk (figuurlijk) als eerste deel van een samenstelling dat aangeeft dat het tweede deel ver boven een verwacht niveau ligt
  3. informatica (informatica) hoeveelheid bij elkaar behorende gegevens, beschouwd als een logische eenheid (entiteit)

Etymologie

*[3] van "record"

Uitdrukkingen

  • Off the record

Vertalingen

Engelsrecord, record
Spaansmarca, récord, récord