rauhfaser
mannelijk (de)/ˈrɑufasər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- wandbekleding waarbij kleine stukjes houtvezel zorgen voor een onregelmatig oppervlak
- muurverf, met daarin stukjes houtvezelMaar er zijn ook andere manieren om de wanden te bekleden: rauhfaser gespoten (kun je altijd weer een andere kleur geven), glad geschuurd, ruw bepleisterd, schoon metselwerkstenen, ruw gemetseld, van schrootjes voorzien, grof bepleisterd, met stof of folie beplakt, met tapijt beplakt of met biezentegels.
- soort behang, bestaande uit twee laagjes papier met daartussen stukjes houtvezelVanaf 1900 was er ook naturel behang, zonder grondlaag en met een eenvoudig motief. Later kreeg je het bekende rauhfaser, met die kleine bobbeltjes.
Etymologie
*van "Raufaser" "ruwe vezel", in de oude spelling met "-h-", vanaf 1969 aangetroffen in advertentieteksten
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek