ras
onzijdig (het)/rɑs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (biologie) groep van dieren of planten die door menselijke veredelingstechnieken op gewenste eigenschappen geselecteerd en aangepast zijn, soms ook 'ondersoort'
- (verouderd) afkomst, geslacht
- (antropologie) een vermeende hoofdgroep van mensen die op basis van uiterlijke (fenotypische) en innerlijk-geestelijke eigenschappen, en geografische verspreiding ingedeeld worden, in navolging van de Duitse antropoloog Johann Friedrich BlumenbachJohann Friedrich Blumenbach, [https://archive.org/details/degenerishumaniv00blum De generis humanis varietate nativa]. Göttingen: 1795 (oorspr. dissertatie 1775), bestaande uit het Kaukasische of blanke ras, het Mongoolse of gele ras, het Maleisische of bruine ras, het Ethiopische of zwarte ras, en het Amerikaanse of rode ras.
- geeft aan dat iemand in hoge mate de eigenschappen bezit die kenmerkend zijn voor het tweede deel van de samenstelling
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) draaikolk
zelfstandig naamwoord
- (textiel) gladgekeperde stof
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) Ethiopische titel, prinsRas Koeksa, schoonzoon van den Negus, onderwierp zich medio October aan generaal de Bono, waardoor den Italianen een deel van Tigré in handen viel.
Etymologie
* [E] van (raʾs) "hoofd; landhoofd, kaap"; in de betekenissen, 'kaap, voorgebergte' aangetroffen vanaf 1847 [https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=kram010alge01 J.J. Kramers, Algemeene Kunstwoordentolk], ed. 1847, p. 730. en met toegevoegde 'hoofd, kop; vorst' in 1886 [https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=kram010alge01 J.J. Kramers, Algemeene Kunstwoordentolk], ed. 1886, p. 1039.-->
Vertalingen
Engelsrace
Fransrace
DuitsRasse
Spaansraza
Italiaansrazza
Japans人種
Zweedsras
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek