ramshoorn
mannelijk (de)/ˈrɑmshorn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- hard uitsteeksel, dat gedraaid in een punt uitloopt, aan beide kanten van de kop van een mannetjesschaapDe soupers aan het hof beginnen me behoorlijk de keel uit te hangen. Niet alleen omdat ze eindeloos duren, of omdat we ons moeten onderwerpen aan de laatste modes zoals bepoederde gezichten, martelend strakke, met edelstenen bezette kapsels als ramshoorns, zijden gewaden waarvan de mouwen zo krap zitten dat het bijna onmogelijk is om een lepel naar onze zorgvuldig gekleurde lippen te brengen... Nee, het ergst zijn de roddels, het kwaadaardige gegons van wespen die hun giftige angels maar al te graag in welke tere huid dan ook steken.
- (dierkunde) slakken en slakkenhuisjes met een spiraalvorm die aan de hoorn van een ram doet denken
- (religie) sjofar, blaasinstrument vervaardigd uit de hoorn van mannetjesschaap, gebruikt in de joodse eredienst
- (materiaalkunde) hoorn afkomstig van mannetjesschapen
Etymologie
* die kan worden opgevat als genitiefuitgang
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek