rampokker
/rɑmˈpɔ.kər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die gewelddadige misdaad pleegt, bandiet, bendelidNader meldt men ons uit Buitenzorg, dat de rampokker, die in de dessa Tji-Seëng is opgevat, niet gehangen, doch door een houw over het hoofd ernstig verwond is.[https://www.delpher.nl/nl/kranten/view?query=rampokker&coll=ddd&sortfield=date&identifier=ddd%3A011031651%3Ampeg21%3Aa0002&resultsidentifier=ddd%3A011031651%3Ampeg21%3Aa0002 Bataviaasch nieuwsblad 1 december 1869.]
Etymologie
*Van Maleis rampok.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek