rammelen

/ˈrɑmələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. absol (absol) een geluid voortbrengen of er iets loszit
    De deur rammelt.
  2. seksualiteit (seksualiteit) bronstig zijn of paren
  3. inerg (inerg) een geluid veroorzaken met iets dat loszit
    Er werd aan de deur gerammeld.
  4. erga (erga) uit elkaar ~ door voortdurend gerammel stukgaan
    Het hele toestel was uit elkaar gerammeld.
  5. ov (ov) door elkaar ~ schudden
    Chang sloot zijn sterke kalligrafenhand als een bankschroef om de arm van de jongen en rammelde hem door elkaar.[http://books.google.nl/books?id=bgfP8KYHey8C&pg=PT127&lpg=PT127&dq=%22rammelde+hem+door%22&source=bl&ots=-fCNd1Yyb9&sig=MrKiU8KnWMC8JBn_ClveBMWfYbk&hl=nl&sa=X&ei=yBR2UqLOOMeWtAb8-YHoCg&ved=0CEIQ6AEwBQv=onepage&q=%22rammelde%20hem%20door%22&f=false Jeffery Deaver (2002), De stenen aap]
  6. absol, figuurlijk (absol), (figuurlijk) niet in orde zijn
    Die hele rechtszaak rammelt.

Etymologie

* In de betekenis van ‘ratelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1528