rambam
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈrɑmbɑm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- denkbeeldige ernstige aandoening (gebruikt om werkwoorden kracht bij te zetten of in een verwensing)Maar op een kwaaie dag schrikt Neeson zich het rambam wanneer hij routineus de hotelkamer binnendringt met zijn camera: het te 'betrappen' paar, waarvan zijn eega de vrouwelijke rol dus speelt, blijkt gruwelijk vermoord te zijn.De spelers hebben zich voor de Olympische Spelen werkelijk de rambam getraind.De rambam voor 'm met z'n tuintje d'rbij,’ vloekte Scheeltje, (…)
- verzameling van zaken waaraan weinig waarde wordt gehechtHet lijkt er zo'n beetje op dat iedere auteur zo langzamerhand niet zonder een hoeveelheid vaak overbodige statistische rambam kan als hij zijn onderzoeksresultaten publiceert.Je kunt niet zomaar je cultuurei kwijt; je moet geld hebben, je moet een kantoor hebben, een zaal, de hele rambam.
tussenwerpsel
- (spreektaal) benadrukt een krachtige bewegingMaar Sjemonow staat zelf te roer en hij blijkt een meester; de manoeuvre verloopt zonder schade, nu gaat het rambam de rivier af, het hoogwater is gehaald en de reus in zijn schik.Gewoon een beest dat er rambam op los beukt en dat, als hij (zoals altijd) gewonnen heeft, op z'n borstkas nog eens overdoet.
Etymologie
*[tussenwerpsel] (klanknabootsing), op te vatten als reduplicatie van bam, zie ook rammen en rombom
Uitdrukkingen
- de rambam krijgen, het rambam krijgen
- zich de rambam werken, zich het rambam werken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek