ramadan

mannelijk (de)/ˈrɑmadɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de negende maand van het islamitische jaar, waarin men vast (d.w.z. zich onthoudt van voedsel, drinken, roken en seksueel genot) van zonsopgang tot zonsondergang
    Terwijl een flink deel van de stadsbevolking zich aan de beperkingen van de ramadan hield, zat hij een heerlijk broodje bal te eten (met mosterd)!

Etymologie

*van het رمضان (ramaḍān)

Vertalingen

Engelsramadan
Fransramadan
Spaansramadán