radio

mannelijk (de)/ˈradijo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elektronica, media (elektronica), (media) toestel dat uitgezonden radiogolven kan ontvangen en omzetten in geluid
    De radio kraakt, hij moet nog ingesteld worden.
  2. communicatie, media (communicatie), (media) (geen verbuiging) medium om informatie en amusement uit te zenden
    De mensen hoorden het vreselijke nieuws op de radio.
    Op dinsdag 10 februari werd er opnieuw via de landelijke radio een oproep gedaan, als rectificatie van het eerdere bericht van vrijdag de 6de, toen de boodschap niet correct was uitgezonden.
    Dat was op de radio geweest, en het had op de voorpagina's gestaan van de kranten die haar vader had meegenomen uit Malaga.
  3. media (media) radioprogramma
  4. draadloze telegrafie of telefonie

Etymologie

*van """, in de betekenis van ‘draadloze omroep’ aangetroffen vanaf 1904

Vertalingen

Engelsradio, radio
Fransradio, radio
DuitsRadio, Radio
Spaansradio, aparato de radio, radio
Italiaansradio, radio
Portugeesrádio, rádio
Russischрадио, радио
Japansradhio, radhio
Turksradyo, radyo
Poolsradio, radio
Zweedsradio, radio
Deensradio, radio