rabbijn

mannelijk (de)/rɑˈbɛin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) joods leraar met de hoogste bevoegdheid, ook bevoegd om te antwoorden en beslissen bij halachische kwesties, vaak verbonden aan een joodse gemeente en daarbij belast met onderwijs en zielzorg, tevens een religieuze, joodse geleerde die een expert is op het gebied van joodse wetgeving

Etymologie

* Herkomst: Hebreeuws (vernederlandste vorm)

Vertalingen

Engelsrabbi, rebbe
Fransrabbin
DuitsRabbiner
Spaansrabí, rabino
Italiaansrabbino