raap

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gewas met een groot aantal variëteiten, waarvan keukenraap en meiraap als groente worden gegeten.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plantensoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • recht voor zijn raaphelder en duidelijk zonder omwegen

Vertalingen

Engelsturnip
Spaanscolinabo, naba, nabo