quinoa
mannelijk (de)/kwiˈnowa/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort Zuid-Amerikaanse plant , uit het geslacht ganzenvoet... waar ooit de jagersgezinnen hun barre tocht opgaven om de planten te plukken en om er bonen en maïs te telen, quinoa, maniok, coca.
- (voeding) zaden van de quinoaplant die als graan worden gebruiktDe akkers, op welken de Indiaanen het eene jaar aardappelen geteeld hebben, bezaaijen zij het volgende jaar met een ander zaad, quinoa genaamd, en naar onze gierst zeer veel gelijkende, hoewel het echter een ander gewas is, in Europa niet bekend.Quinoa kan dienen als vervanger van rijst of couscous.
Etymologie
*via quinua van kinuwa of kinwa
Vertalingen
Engelsquinoa
Fransquinoa
DuitsQuinoa
Spaansquinua, quinoa
Italiaansquinoa
Portugeesquinoa
Russischкиноа
Japansキヌア
Koreaans퀴노아
Arabischكينوا
Turkskinoa
Poolsquinoa, komosa ryżowa
Deensquinoa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek