quasimodo

mannelijk (de)/ˌkwaziˈmodo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) (christendom) eerste zondag na Pasen
    Quasimodo werd als vondeling op de eerste zondag na Pasen (Beloken Pasen, quasimodo) op de trappen van de Notre-Dame gevonden
  2. iemand of iets met een grote bochel of een vergelijkbare afstotelijke vorm
    Ze krijgt fibromyalgie, een aandoening waarbij de spieren aldoor gespannen zijn. „Ik kom als quasimodo m’n bed uit. ’s Avonds ontspan ik met een jointje.”
    Die moordaanslag op de esthetica werd zo’n succes dat de concurrentie wel moest aanhaken. BMW komt de onsterfelijke verdienste toe dat het door plundering van Koreaans gedachtengoed {{sic!

Etymologie

*[2] (eponiem), van "Quasimodo", een hoofdpersoon uit , van de 19e-eeuwse Franse schrijver