pyjamajas

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het bovendeel van een pyjama
    Elza kroop tegen hem aan en begon met een hand zijn pyjamajasje los te knopen, pakte met de andere zijn hand en legde die op haar buik. 'Het mag,'fluisterde ze. 'Officieel.'
    Aan tafel zitten Piet en Jannie Kleermaker. Hij -bril, grijze kuif, heldere blik- in een rolstoel, een morsig pyjamajasje over de blote benen. Zij -broodmager, sterk gerimpeld, schichtige blik- op een stapel handdoeken, met een boodschappenlijstje: „twee sips.”