puts
mannelijk/vrouwelijk (de)/pɵts/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een emmer aan een touw die men overboord gooit om wat water te scheppen, gewoonlijk om het dek van een schip schoon te makenPak de puts even.
- een fikse hoeveelheid, meest van waterEen puts water bracht hem weer bij zijn positieven.
Etymologie
* In de betekenis van ‘scheepsemmer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1445
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek