puts

mannelijk/vrouwelijk (de)/pɵts/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een emmer aan een touw die men overboord gooit om wat water te scheppen, gewoonlijk om het dek van een schip schoon te maken
    Pak de puts even.
  2. een fikse hoeveelheid, meest van water
    Een puts water bracht hem weer bij zijn positieven.

Etymologie

* In de betekenis van ‘scheepsemmer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1445