putjesschepper

mannelijk (de)/ˈpʏcəˌsxɛpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die stormwaterputten schoonmaakt
  2. iemand die beerputten schoonmaakt
    Geen brandweerman, geen piloot of putjesschepper: Henk de Roo wilde al op zijn negende pianostemmer worden. Een opleiding was er niet voor, dus meldde hij zich bij pianoverkoper Schumer, toen nog in een klein zaakje in de Almelose Molenstraat. Vrijdag zwaaide de bijna 63-jarige De Roo af bij Schumer, na 47 jaar piano’s stemmen. ‘In dit vak is het horen, zien en zwijgen.’ Tubantia Erik Hogeboom 30-september-2006
  3. het enige beroep dat een luie scholier later zou kunnen uitoefenen
    Wie die dagbesteding uitvoert maakt niet uit, dat kan bij wijze van spreken een putjesschepper zijn die met iemand gaat wandelen. Volkskrant Anneke Stoffelen 19 mei 2017
    Onlangs hoorde ik mezelf tegen iemand zeggen: "Ja, en dan maakt het niet uit of je putjesschepper of professor bent." NRC 5-september-2014 Ewoud Sanders