purper

onzijdig (het)/ˈpʏrpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleur (kleur) een paarsige kleur
    Heeft u die ook in het purper?
  2. kleur (kleur) de kleur purper hebbend
    Hij rijdt in een purper gekleurde auto.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘paarsrode kleur’ voor het eerst aangetroffen in 1285

Vertalingen

Engelspurple
Spaanspúrpura