punten

/ˈpʏntə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) uitlopen, kiemen
  2. ov (ov) een punt maken (aan)
  3. ov (ov) punten slaan in iets
  4. ov (ov) met het werk treuzelen
  5. ov (ov) op waterwild jagen uit een bootje

Etymologie

*: "punt" met de uitgang -en