punten
/ˈpʏntə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) uitlopen, kiemen
- (ov) een punt maken (aan)
- (ov) punten slaan in iets
- (ov) met het werk treuzelen
- (ov) op waterwild jagen uit een bootje
Etymologie
*: "punt" met de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek