puin
onzijdig (het)/pœyn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een massa vergruizelde steenMisschien was ze voorbestemd geweest voor een deftig leven op het platteland, als vrouw van een hoge ambtenaar of zo, maar had ze ervoor gekozen om een ander soort geluk te zoeken in het puin van het naoorlogse Londen.Onder het puin lagen honderdduizenden slachtoffers, de elektriciteit was uitgevallen, en hulpverlening kwam pas na weken goed op gang.Gisteren moesten die herrieschoppers het puin voor straf opruimen.
- fijne brokjes diamant met lage waarde
Etymologie
* Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘vergruisde steen’ voor het eerst aangetroffen in 1443
Vertalingen
Engelsrubble, rubbish, debris
Fransdébris
DuitsSchutt, Trümmerschutt
Spaansescombros
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek